Off-road museumstukken

Om overbodige communicatie te voorkomen beginnen we met te melden dat we in dit verslag ‘jeep’ nog bewust met een kleine letter schrijven. In de beginjaren is het immers een bijnaam die de soldaten aan de Willys en Ford ‘U.S. Army Truck, 1/4-ton, 4×4, Command Reconnaissance’ auto’s geven. Pas in juni 1950 wordt de naam ‘Jeep’ door Willys Overland vastgelegd als een model van Willys. Geniet bij deze dus van de bijzondere ‘jeepies’ die momenteel in het Museum van Overloon ten toon gesteld staan, plus nog wat bijzonder spul dat fotograaf Ad voor zijn lens heeft gekregen.

Boven: De Oshkosh W709-CT5 stamt uit 1943 en is met zijn 75 gebouwde exemplaren tamelijk zeldzaam. Het exemplaar in Overloon is in perfecte conditie met veel nog origineel vanaf de fabriek. De auto heeft minder dan 300 mijlen op de teller en is volgens het museum het enige exemplaar op de wereld dat geheel gerestaureerd is en compleet is met de bijhorende trailer.  

Boven: Sterling DDS 235 bergingstruck met kraan. Eveneens tamelijk zeldzaam tegenwoordig.

Boven: De Duitse ‘Biber’ (het Duits voor bever) is een eenpersoons mini duikbootje dat in 1944 ingezet wordt in West-Europa. Ze worden als wapen gebruikt tegen geallieerde vrachtschepen en er zouden er 324 gebouwd zijn. De tekst bij de Biber vertelt dat ze tamelijk kwetsbaar waren en dat naar schatting 60-70 procent van de bemanning niet terug kwam van zijn missie. De Biber op de foto is uitgerust met een G7e torpedo.

Boven: Een licht ‘mini-tankje’ uit WW I en II van Renault, de FT (ook wel foutief aangeduid als FT-17). Als model doet het ons denken aan het getekende tankje van Peter de Smet in zijn humoristische stripboeken over ‘De Generaal’, die steevast de macht wil grijpen.

Boven en onder: Een Ford GPW van de Militaire Politie.

Boven en onder: Nog geen zeldzame verschijning in het wild, de vaderlandse NEKAF (hetgeen staat voor het bedrijf dat de militaire Willys M38A1 in eerste instantie assembleerde; de NEderlandse KAiser-Frazer Fabrieken NV in Rotterdam). De Willys M38A1 is een ontwerp van Willys Overland (civiel CJ-5 geheten) en ziet het levenslicht in 1952, kort voordat Willys in 1953 overgenomen wordt door Kaiser (voorheen Kaiser-Frazer, maar meneer Frazer vertrekt rond 1950). Het is de reden dat de naam Kaiser-Frazer (van 1947-1953) vanaf 1953 wijzigt in Kaiser-Willys Corporation. Opvallend genoeg blijft bij ons de naam Frazer hangen in de naam. Dit exemplaar mag vast genieten van zijn pensioen.

Twee keer boven en drie keer onder: De Bantam BRC 40. De eerste Bantam draagt alleen de naam BRC voor Bantam Reconnaissance Car (verkenningsvoertuig) en krijgt eerst de naam ‘Blitz-Buggy’ toebedeeld maar krijgt later vooral bekendheid als ‘Old Number One’. Er is er slechts één gebouwd. Aan de hand van de bevindingen van het leger krijgt Bantam een vervolg order van 70 stuks, zijnde de BRC 60. De derde en laatste stap van Bantam in de ontwikkeling van de door het leger gevraagde ‘U.S. Army Truck, 1/4-ton, 4×4, Command Reconnaissance’ is de BRC 40. Dan hebben zich inmiddels Willys en Ford in de strijd geworpen, driftig op zoek naar de legerorder in het verschiet. Hun Willys Quad en Ford Pygmy lijken verdacht veel op de Bantam en dat is niet verbazingwekkend omdat het leger beide bedrijven de blauwdrukken van de Bantam gegeven heeft. Na het testen van de verschillende modellen krijgen alle drie de bedrijven de opdracht er 1.500 te bouwen. Bantam bouwt er vervolgens zo’n 2.675 stuks van de BRC 40 (waaronder 62 stuks met vierwiel besturing). Willys zou 1.553 Willys MA bouwen terwijl Ford 4.456 GP’s van de band laat rollen (de meest gehanteerde aantallen, maar kunnen iets afwijken omdat niemand ze zeker weet). De door het leger gevraagde aantallen gaan namelijk al snel wat omhoog als steun voor de Britten en Russen. Onder meer omdat Bantam niet de productie van 75 auto’s per dag kan halen gaat de order naar Willys. Bovendien is het leger ook wel gecharmeerd van de 60 pk sterke motor van Willys. De auto wordt gestandaardiseerd tot Willys MB en Ford mag ze later ook gaan bouwen als Ford GPW, waarbij de ‘G’ staat voor ‘Government’ (het contract van de regering), de ‘P’ voor de wielbasis van 80 inch (203 cm.) en de ‘W’ geeft aan dat het ontwerp en de motor van Willys komen. 

Boven en twee keer onder: De eerste gestandaardiseerde Willys MB’s zijn nog uitgevoerd met de zogeheten ‘slat-grille’. Gewoon simpele, gelaste ijzeren spijlen mag je van ons ook zeggen. Er zijn er 25.808 gebouwd als Ford op de proppen komt met de bekendere grille met zijn negen sleuven. Die gebruikte minder materialen, was lichter van gewicht en simpeler (lees: goedkoper) te maken. 

Boven en twee keer onder: De Ford GP. Zonder de toegevoegde ‘W’ van Willys zijn de verschillen tussen de Willys MA en de Ford GP nog duidelijk te zien, maar ontegenzeglijk leunen beiden op het ontwerp van de Bantam. Enkele jaren geleden komen we een Ford GP tegen tijdens de herdenking van Market Garden. En als we ons niet vergissen staat dit exemplaar een jaar of twee later te koop op een Army Show in Twente. De vraagprijs bedroeg toen iets van € 44.000,-. Geen gekke investering als je weet dat het leger destijds circa $ 930,- betaalde voor een Willys MA of Ford GP.

Boven: De door de Britten aangepaste jeep voor dienst in de woestijnen van Noord-Afrika kennen we als de SAS jeeps (Special Air Services), vooral bekend vanwege hun zware bewapening (meestal twee Vickers K machine guns op de plek van de voorste passagier). Ze bezorgden de vijand destijds flink ‘hoofdpijn’. Op het Wings en Wheels in het Belgische Ursel komen we er bij ieder bezoek een tegen. 

Boven en onder: Een van de laatste Willys MB welke van de band rolden, nog ongerestaureerd en na de oorlog licht aangepast voor civiel gebruik. Zie bijvoorbeeld het knipperlicht.

Boven: De drie zeldzame vertegenwoordigers, alias ‘jeep exoten’, van Bantam, Willys en Ford met aandrijving op vier wielen staan gebroederlijk naast elkaar opgesteld in het Oorlogsmuseum in Overloon.

Boven drie keer en zeven keer hieronder: Willys experimenteert in de oorlog met haar Willys met als resultaat onder andere de T14 Gun Motor Carriage (achteruit vurend met 37 mm kanon en er zouden er slechts twee gebouwd zijn) en de 3/4 ton 6×6 Willys MT-TUG ‘Super Jeep’ welke je op deze foto’s kunt bewonderen. Productie aantallen zijn vaag maar totaal 24 stuks (cargo 15 stuks, plus prototypes, armored en fifth wheel uitvoeringen) lijken een goede indicatie, waarvan er nog zes ‘in leven’ zouden zijn. 

Boven: De zitruimte van de MT-TUG bestuurder ziet er duidelijk anders uit dan die van de standaard Willys MB. Het stuur is axiaal verstelbaar (stuuras is in lengterichting verstelbaar) maar kan als je de ringen op het stuur er uit trekt ook iets voorover geklapt worden voor transport doeleinden. De rem- en  koppeling pedalen zijn buiten het chassis geplaatst en de brandstoftank zit niet meer onder de stoel maar is tussen de bestuurder en passagiersstoel geplaatst. Mocht je je afvragen wat die ronde trommel met handgreep is rechts op de foto; daarmee bedien je de elektrische remmen van een trailer.

Twee keer boven en vier keer onder: Ford bouwt een amfibische versie van de jeep onder de naam GPA. De GPA krijgt als bijnaam ‘Seep’, slang voor ‘Sea Jeep’. Circa 13.000 zijn er gebouwd, maar heel succesvol is de GPA niet. Op de foto’s een ongerestaureerd exemplaar.

Boven twee keer en twee keer onder: De Crosley CT-3 Pup. Het enige probleem bij de ontwikkeling van de jeep’s is dat het door het leger gestelde maximum gewicht van 1.275 lbs (circa 580 kg.) niet haalbaar is. Als de jeep uiteindelijk in productie gaat weegt hij, samen met wat versterkingen, bijna dubbel zo veel. Het is tevens de reden dat het leger nog altijd op zoek is naar een echt lichtgewicht voertuigje voor ‘airborne missions’ (vrij vertaald, aanvallen vanuit de lucht) en gebruik in de jungles van de Pacific. Terzijde, ook bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk is in de late jaren van de oorlog bezig met een soortgelijk voertuigje, de JAB (Jungle Airborne Buggy). In de jaren 1942 en 1943 zijn er tenminste vijf bedrijven die met ontwerp voorstellen komen (Chevrolet, Ford, Willys, Crosley en Kaiser). Het is Crosley (van 1939-1952, eerst actief als Crosley Corporation en later als Crosley Motors Incorporated en onafhankelijk Amerikaans fabrikant van compacte voertuigjes) dat met prototype de CT-3 ‘Pup’ op de proppen komt, een superlicht een- of tweepersoons buggy met nog altijd vierwiel aandrijving, maar dat via de lucht vervoerd kan worden en vanuit een vliegtuig gedropt kan worden, als dat tenminste een Douglas C-47 Skytrain is. De motor van de 1.125 lbs (510 kg.) wegende Pup is een tweecilinder van 13 pk. Zes van die Pups worden na getest te zijn ingezet in de oorlog maar het project wordt afgeblazen vanwege een aantal zwakke componenten. Momenteel zouden zeven van de 36 Pups die gemaakt zijn nog in leven zijn, althans, die bekend zijn.

Onder: Als laatste een uniek aardigheidje dat in het museum van het Regiment Technische Troepen te Soesterberg te vinden is, een Nekaf met een eencilinder motor. Je kunt je voorstellen dat als je karren moet trekken met explosief materiaal, je als chauffeur en eventuele bijrijder(s) niet zit te wachten op mogelijke vonken die elektrische componenten op en aan een auto kunnen veroorzaken. Eind jaren zestig verwijderen ze daarom alle elektrische componenten van een Nekaf en vervangen ze de benzinemotor door een eencilinder Farymann dieselmotor  met een inhoud van 850 cm3 en een vermogen van, schrik niet, 10 pk. Die motor is een aangepaste stationair- en scheepsmotor en kun je starten met een zwengel. Uniek mag je gerust claimen; er is er maar één gebouwd.

Fotografie: Ad Woolthuis. Tekst: Martin Brink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.