Op pad met Jimny & Jimba

“Mevrouw, u kunt uw auto hier achterlaten en wij zullen u dan bellen wanneer hij klaar is.” De man van de Duitse garage, gehuld in een smerige overall en met een peuk op zijn vlezige lippen, kijkt mij aan en wacht geduldig af of ik mijn 4×4 troeteldier aan hem toevertrouw of niet. Ik heb hem al verteld dat ik op doorreis ben, al mijn voorraden erin liggen en ik mijn vervoermiddel niet zomaar een week kan missen, maar wanneer mijn remmen op zijn zachtst gezegd weifelachtig zijn, heb ik niet zoveel keuze.

Boven: Het greenlanen begint al zodra ik in alle vroegte het dorp uit rijd…

Onder: Kunst in het Arboretum in Mefferscheid, een proeftuin waar men bomen van over de hele wereld naar toe haalde om te kijken of deze op de onvruchtbare bodem van het Hertogenbos konden groeien.

Alleen. Anders dan de titel van dit epistel doet vermoeden, reis ik toch echt alleen. Solo. Dat heeft absoluut voordelen. Zo kan ik ergens blijven hangen waar het mij bevalt, of kan ik eerder naar huis als ik geen zin meer heb, zonder rekening te hoeven houden met medereizigers, groepen of vaste aankomst- dan wel vertrektijden. Daar tegenover staat dat ik er echt alleen voor sta. Ik plan, rijd, navigeer, koop in, tank, kook, los technische problemen op en wat dies meer zij. Dat is voor een vrouwelijke reizende huismus – ik heb een haat – liefde verhouding met het fenomeen reizen – een best wel lastige, zo niet onmogelijke opgave. Toch heb ik mijzelf dit jaar in mijn nekvel gepakt en mij buiten de comfortzone gezet. Ga reizen, meid!

Boven: Zodra je het vlakke Hollandse landschap verruilt voor heuvels, waan je je al in verre oorden.

Onder: De camping in Euscheid ligt op de top van een heuvel. Hellingen tot 18%, temperatuur ruim 31 graden, maar de kleine dappere Einhorn zeult alles zonder kreunen naar boven.

Vervoersmiddelen. Als het om reizen gaat staan er een legio mogelijkheden qua vervoersmiddel tot je beschikking. Slimme mensen mijden het vliegtuig omdat Schiphol geen garantie meer is dat je je eindbestemming bereikt. Het resultaat daarvan is dat half Europa in de file staat en menig camping volgeboekt is. Zo kun je ook per paard reizen, u weet wel, zo´n dier met een 1 pk havermotor met ‘vierhoef aandrijving’. Voor de sportievelingen onder ons is er het rijwiel en de benenwagen, en degenen die elektrisch willen reizen de trein. Het zal de lezer niet verbazen dat ik een Einhorn kies, oftewel het Duitse koosnaampje van mijn kleine, uit Duitsland stammende Suzuki Jimny.

Onder: Camping Euscheid. Gras mag je het niet meer noemen, alles is hier gort- en gortdroog. Open vuur is ‘verboten’. Fenomenaal uitzicht vanuit je daktent.

Jimny & Jimba. Het leuke van plannen maken is dat het plannen soms leuker is dan de reis zelf. Weken ben ik bezig om de Soes te voorzien van een logisch systeem om mijn spullen te stouwen. Meerdere keren ga ik uit proefkamperen of alles naar het zin is en werkt. Mijn Jimny krijgt er voor mijn reis een zusje  bij: Jimba. Een daktent die, de naam zegt het al, op het dak hoort te staan. Hoort, maar hoeft niet. Ik ben er niet zo´n voorstander van om 40 kilo tent extra op het dak van een kleine Jimny te hebben liggen, maar gelukkig bestaan er aanhangers – die je met wat fantasie kunt ombouwen. Mijn eigen kar wordt dan ook 5 cm verhoogd en krijgt ‘dak’ dragers waar Jimba zich met een viertal klemmen aan vast moet klampen. Eronder is plenty stouwruimte, zodat ook mijn campingdouche mee kan, mocht ik een camping treffen die uit louter gras bestaat.

Boven: Wanneer de zon achter de heuvels verdwijnt is het goed toeven hier. Even douchen, de was kan drogen, en voor de rest genieten maar.

Onder: Het Teufelspfad, dat door de Teufelsschlucht loopt. Stel je van het ‘pfad’ niet al te veel voor; het zijn meer rotsblokken waar je overheen moet klauteren. Bergschoenen met AT-profiel zijn onontbeerlijk en neem vooral voldoende water en eten mee.

Oprit. Een echte ‘bestemming’ heb ik niet, maar zolang er bossen zijn vind ik het al goed. Eifel, Schwarzwald, Rheinland-Paltz is zo’n beetje de omgeving waar ik ga zwerven. Dat kamperen is voor mij zeker niet nieuw. Wie in mid-Frankrijk, Zuid Duitsland of Catalonië aan het graven slaat, komt vast nog ergens een stel haringen tegen die ik indertijd met geweld de bodem in heb gedreven en die er naderhand niet meer uitwilden.  Dat neemt niet weg dat het alléén kamperen voor mij volstrekt nieuw is. In Aachen, om precies te zijn recht onder het Drielandenpunt, dient een oprit als eerste plek om te overnachten. Die oprit behoort toe aan een vriendin die ik door een niet nader te noemen virus tijden niet heb ontmoet. Ik krijg echter niet de kans om zelf te koken op mijn spiritusbrander: we gaan uitgebreid uit eten op de campus van de Uni van Aachen. Ook goed.

Boven: Je moet erg oppassen met zulke half ingegroeide bordjes. De waterval zelf ligt vaak veel verder weg dan je denkt.

Onder: Hier hóórt een brug te liggen. Eén blik naar links en naar recht leert echter dat de natuur flink heeft huisgehouden: brug weggeslagen, oevers ingestort en bomen die in de rivier liggen. Verder lopen zit er niet in, maar via ‘omleidingsbordjes’ zou ik de route terug moeten kunnen vinden.

Slecht wegdek. Het voordeel van het eerder genoemde Drielandenpunt is dat ik de keuze heb om óf door Duitsland, óf door België naar mijn volgende, al reeds besproken, campingplaats in Euscheid te rijden. Het wordt België, vraag mij niet waarom. Nu hoef ik niemand te zeggen hoe de conditie van de wegen aldaar is. Er zijn offroad tracks die prettiger en comfortabeler te rijden zijn dan het uit duizend-en-één-reparatiestukken bestaande wegdek van de gemiddelde Belgische straat. Daar komt ook het eerste manco aan het licht: de aanhanger stuitert als een dolle achter mijn Soes aan. Slechts torsievering, in combinatie met een lichte lading, zorgen ervoor dat ik halverwege op een stoffig zandpad de eerste ‘bushfix’ moet uitvoeren: het opnieuw vastzetten van Jimba en wel zodanig dat niks meer lostrilt. Washandjes worden ingezet om te zorgen dat de daktent heel blijft. Dit zijn dingen waar ik mij niet echt zorgen over maak – ik heb genoeg gereedschap en reservemateriaal bij mij.

Boven: Het nu zo vredige stroompje zal een jaar geleden wel een woest kolkende rivier geweest zijn.

Onder: Bijkomen van een enerverende reis met voor mij veel te hoge temperaturen. De bewolking geeft echter al aan dat er ander weer op komst is. ’s Nachts giet het uit de lucht.

Draden. Meer zorgen maak ik mij over het licht trillen van het stuur als ik het middelste pedaal rond de 80 km/h intrap – iets wat in de loop van de reis erger wordt. Het laatste waar je ellende mee wilt hebben zijn je remmen. Alsof dat nog niet genoeg is, merk ik op de parkeerplaats van een Lidl in Prüm dat het raam aan de passagierszijde niet meer dicht wil. Nu is het ruim 30 graden, maar desalniettemin is het prettig om je 4×4 af te kunnen sluiten als je boodschappen voor het avondeten wilt halen. Op de camping in Euscheid weet ik het protesterende raam te fixen – de kinderbeveiliging blijkt defect te zijn. Zolang het corpus delictus draden bezit kan ik er als stroomboerin immers wel wat mee.

Boven: Niets is lekkerder dan vanaf de oever met je voeten in het ijskoude water gaan zitten en voor de rest niets doen…

Onder: Een door mensenhanden gebouwd bouwwerk wat door de natuur wordt teruggenomen – ik heb daar wel wat mee. Deze burcht heeft twee meter dikke muren en staat er al een poosje: de eerste schriftelijke vermeldingen van deze ‘Stromburg’ dateren van 1056.

Pad van de Duivel. Wanneer de haan van de camping de volgende dag om vijf uur een poging doet iedereen wakker te krijgen, zit ik vanuit de daktent al te genieten van het uitzicht over de heuvels. Sowieso ben ik altijd vroeg uit de veren en voordat het weer bloedheet wordt wil ik graag de Teufelsschlucht bekijken. De spiritusbrander doet zijn best om mij van thee bij het ontbijt te voorzien, ondanks dat open vuur ‘verboten’ is, hoewel ik dan geen idee heb hoe ik mijn avondmaal had moeten bereiden. Anderhalf uur later hobbel ik met Jimny & Jimba het terrein af. De Duivelskloof en het erdoorheen lopende geel gemarkeerde Duivelspad, is vanuit een megagroot parkeerterrein prima te bereiken. Een naast mij staande Fransman helpt mij met handgebaren het achteruit parkeren van de aanhanger, terwijl ik van wat hij zegt geen woord versta. Ik ben viertalig maar helaas ontbreekt Frans in mijn talenpakket.

Onder: Komen weinig voor in Nederland: haarspelden…

Über Land fahren. Al greenlanend en binnendoor rijdend, wat men in Duitsland ‘über Land fahren’ noemt, kom ik aan het eind van de middag aan bij een wijnboer, alwaar ik Jimny & Jimba mag laten rusten van een enerverende en bloedhete reis: 32 tot 35 graden geeft de digitale thermometer aan. Het ‘kampeerterrein’ bestaat uit gortdroog grasland, zij het flink bezaaid met kuilen en stevige graspollen, waardoor ik zelfs 4WD moet inschakelen om de hele combi op zijn plek te krijgen. Met een simpele handeling laat ik Jimba uitklappen en in diens schaduw zittend kom ik zelf ook wat bij. Uiteraard moet er wijn geproefd worden die avond, iets waar je mij wakker voor kunt maken. De eigenaar annex wijnboer had mij echter al gewaarschuwd dat de kans bestaat dat regen en onweer een welkome koelere periode aan zouden kunnen kondigen, en wat het weer betreft heeft hij gelijk gehad. Die nacht gutst het water in bijkans tropische hoeveelheden naar beneden, maar ik lig hoog en droog bovenop de aanhanger.

Boven en onder: De Moezel bij Niederfell.

Balans. De volgende dag, wanneer de primus genoeglijk snorrend mijn theewater laat koken, maak ik de balans op. De ‘Wettervorhersage’ laat al zien dat de afkoeling van korte duur is en dat een tweede hittegolf al zijn opwachting maakt. Ik kan niet goed tegen hitte. Bovendien heb ik mijn Soes niet achtergelaten bij de sigarettenrokende garagehouder, want ik kan mijn troetelkind niet zomaar een week missen omdat daar alle dingen in zitten die ik dagelijks nodig heb: eten en drinken, kookgerei, gereedschap, water, toilet, noem maar op. Maar daarmee is het trillen bij het remmen ook niet opgelost. Ik besluit de reis af te breken – en deze op een later moment opnieuw te maken. De daktent wordt ‘handdoekdroog’ ingeklapt, en in m’n Garmin Overlander wordt de koers noord ingesteld, waarbij Bad Breisig aan de Rijn als tussenstop dient. Weer in 4WD, maar nu over een door de regen zompig gemaakt grasveld, draai ik de weg op. Die avond schijnt de zon uitbundig over de laagstaande Rijn en zo kan Jimba mooi even goed drogen voor ik de volgende dag naar huis rijd.

Onder: Eet,- drink, en rustpauze Zulpich.

Experiment. Mijn eerste soloreis mag dan voor de gemiddelde overlander of reiziger niet veel voorstellen, voor mij is het een behoorlijk experiment geweest. Niet voor het eerst blijft er van een wild plan niet veel meer over dan een sudderend ideetje, naarmate de vertrekdatum nadert. Het was een reis vol leermomenten waarbij ikzelf het lijdende voorwerp ben geweest. Niets is immers zo goed om jezelf te leren kennen door alleen op pad te gaan. Ondanks alles heb ik er wel lol in en zal deze reis zeker niet de laatste zijn….

Onder: Pauze.

Zo. Nu eerste mijn 4×4 troeteldier naar de garage hier in het dorp brengen. De garagehouder, deze keer zonder sigaret in zijn mondhoek, mag er zo lang over doen als hij wil, want ik ben weer thuis.

Tekst & fotografie: Kitty Madison.

2 thoughts on “Op pad met Jimny & Jimba”

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.